Mijn overeenkomst bevat geen opzeggingsregeling. Kan ik hem dan toch opzeggen? Ja, dat kan, althans in principe. Soms moet de opzeggende partij dan (ondanks het feit dat de overeenkomst dit niet voorschrijft) een vergoeding betalen of moet een opzeggingstermijn in acht nemen. In een recent gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (d.d. 25 november 2020, klik hier voor de uitspraak) , zet de voorzieningenrechter de bijbehorende spelregels op een rijtje.

In deze zaak staan een producent van en een groothandel in geneesmiddelen tegenover elkaar. Partijen werken al 20 jaar samen. Na een telefoontje van de producent aan de groothandel dat men van de een op de andere dag niet langer zou leveren, staan partijen opeens tegenover elkaar. Inzet van dit kort geding; de groothandel stelt dat de producent niet op deze manier kan opzeggen en wil dat hij verplicht wordt om door te blijven leveren.

De voorzieningenrechter:
“Partijen zijn het erover eens dat in hun onderlinge verhouding sprake is van een duurovereenkomst. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden deze overeenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Omdat de wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst tussen partijen in beginsel opzegbaar is.
Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen ook meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141. De vraag in dit kort geding is dus of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het gebruikmaken door [Producent] van de opzeggingsbevoegdheid die zij in beginsel heeft, afgewogen tegen de belangen van [Groothandel], naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.
(…)
Na afweging van de bovenstaande wederzijdse belangen, komt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat het [Producent] wel vrij staat haar langlopende duurovereenkomst met [Groothandel] op te zeggen, maar dat zij – wanneer zij, zoals kennelijk het geval is, geen vergoeding voor de beĆ«indigingsgevolgen aan [Groothandel] wenst te betalen – daarbij een opzegtermijn van 12 maanden dient aan te houden. (…) De lengte van de genoemde termijn is mede bepaald door de klaarblijkelijke omstandigheid dat [Producent] door haar aandeel in de langlopende duurovereenkomst bestendig heeft bijgedragen aan de (op het genoemde verdienmodel gebaseerde) bedrijfsvoering van [Groothandel] en dat [Groothandel] bij beĆ«indiging van die overeenkomst die bedrijfsvoering gefrustreerd ziet, waardoor zij genoodzaakt zal zijn ingrijpende beslissingen te nemen omtrent (de wijze) van haar voortbestaan.
De vordering van [Groothandel] is daarom toewijsbaar in die zin, dat de aan [Producent] op te leggen voortzetting van de leveringen aan [Groothandel], is beperkt tot 1 oktober 2021.”